opgelet

Uw browser ondersteunt geen CSS waardoor de layout van deze site er voor u niet optimaal uitziet.

Informatie

Totstandkoming van dit woordenboek
Methodologie
Vorm en inhoud van het woordenboek
Opgenomen gebaren
De term Vlaamse Gebarentaal
Gebarenconstructie of gc
Gebaren voor beroepen
Gebaren voor dieren

Totstandkoming van dit woordenboek

Het project De dovengemeenschap in Vlaanderen: doorlichting, sensibilisering en standaardisering van de Vlaamse Gebarentaal, dat kadert binnen het Programma Beleidsgericht Onderzoek van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (98/20/129), werd enkele jaren geleden opgezet. Een deelonderzoek ervan leverde grotendeels de inhoud van dit woordenboek. Dankzij een tweejarig onderzoek Sociolinguïstisch Onderzoek van de Vlaamse Gebarentaal (VGT) van de UGent, gefinancierd door het BOF (B/OOO56 - BOF/2-4/BOF2002), werd de productie van dit digitale woordenboek mogelijk. De website waarop u nu terechtgekomen bent, heeft niet alleen een wetenschappelijke en innoverende waarde, maar lenigt ook een grote maatschappelijke nood. Een belangrijke doelstelling van beide projecten was immers om op basis van het lexicologisch onderzoek een instrument — meer bepaald een gebarenwoordenboek in boekvorm én in elektronisch formaat — te ontwikkelen ter ondersteuning van het onderwijs van dit lexicon. Deze doelstelling is nu deels bereikt. Hoewel het oorspronkelijk de bedoeling was het woordenboek (enkel) in CD-rom formaat uit te brengen, hebben we uiteindelijk voor een website geopteerd. Zo kunnen we het woordenboek blijven aanvullen en aanpassen.

Het taalkundige onderzoeksgedeelte gebeurde aan de Universiteit Gent en in samenwerking met de Vakgroep Germaanse Talen — Centrum voor Linguïstiek (CLIN) van de Vrije Universiteit Brussel, onder leiding van promotor Prof. dr. M. Van Herreweghe en co-promotor Prof. dr. S. Slembrouck, Vakgroep Engels — UGent en co-promotor Prof. dr. M. Vermeerbergen, Vakgroep Germaanse Talen — Centrum voor Linguïstiek, VUB.

Het eerste deelonderzoek werd uitgevoerd door de medewerkers Kristof De Weerdt en Eline Vanhecke en startte op 15 oktober 1999. In juni 2003 nam Katrien Van Mulders de plaats van Eline Vanhecke in. Voor dit deelresultaat van het lexicografisch onderzoek — het woordenboek dus — was de samenwerking van een Dove moedertaalgebruiker en een horende Nederlandstalige taalkundige absoluut noodzakelijk, aangezien voor het samenstellen van een vertalend woordenboek moedertaalgebruikers van beide talen onontbeerlijk zijn.

Voor het elektroniseren van het woordenboek werd samengewerkt met twee studenten informatica van de Universiteit Antwerpen, Steven Aerts en Bart Braem. Met Prof. Jan Paredaens als promotor en Philippe Michiels, Nele Dexters en Jan Adriaenssens als begeleiders namen zij de informatica-technische kant voor hun rekening.

Tot op heden bestond er in Vlaanderen geen wetenschappelijk ondersteund woordenboek van de Vlaamse Gebarentaal, niet in boekvorm, en zeker niet op het net. De nood aan dit woordenboek is echter groot bij verschillende instanties. Zo is er voor de leerkrachten in de Vlaamse dovenscholen geen woordenboek om op terug te vallen wanneer ze voor een bepaald begrip geen gebaar kennen. Hetzelfde geldt voor de leerkrachten in de gebarentaaltolkenscholen. Daarnaast wachten ook de verschillende organisaties (zoals bijv. Fevlado, de Federatie van Vlaamse DovenOrganisaties) die op verschillende plaatsen in Vlaanderen gebarentaalcursussen organiseren en enkele centra voor volwassenenonderwijs (CVO), op dit instrument. Het is ten slotte interessant voor al wie op welke manier dan ook met de Vlaamse Gebarentaal in contact komt.

Methodologie

Voor het uitlokken van de gebaren die — tot nog toe — in het woordenboek staan, werden prioriteitslijsten met de te bestuderen begrippen ontwikkeld. De prioriteitslijsten bevatten de ‘basis’ woordenschat van de Vlaamse Gebarentaal en gaan uit van algemene thema's, zoals familie, gezondheid, kleuren, kleding, beroepen, enz.

Er werden vrijwillige informanten gecontacteerd bij wie de gebaren ontlokt zouden worden. Deze werden samengebracht in regionale werkgroepen. Het samenstellen van vijf regionale werkgroepen (één in elke Vlaamse provincie) was nodig omdat er momenteel vijf regionale gebarentaalvarianten bestaan. Deze varianten zijn ontstaan rond de Vlaamse dovenscholen en de regio's waarin ze gehanteerd worden, vallen min of meer samen met de vijf Vlaamse provincies: West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg. Elke werkgroep bestond uit gemiddeld 6 Dove informanten, die voldeden aan de vooropgestelde eisen: een leeftijd hebben tussen 20 en 50 jaar, de onderzochte gebarentaalvariant kennen en gebruiken als eerste taal, actief lid zijn van de Dovengemeenschap en onderwijs in een dovenschool gevolgd hebben. Zowel mannen als vrouwen werden bij het onderzoek betrokken.

In elke groep werd een regionale verantwoordelijke (eveneens een moedertaalgebaarder) aangesteld. Deze persoon mocht de woordenlijsten inkijken en gebruiken en was belast met het uitlokken (a.h.v. uitlokkingsmateriaal) en filmen van de gebaren bij de informanten. De informanten zelf kregen de Nederlandse woorden niet te zien, om zo weinig mogelijk interferentie vanuit het Nederlands te krijgen.

Het onderzoek leverde uiteindelijk circa 90 uur opgenomen taaldata op (gemiddeld 1 uur en half per opnamesessie, per regio). Deze data werden geïnventariseerd, getranscribeerd en taalkundig geanalyseerd. De gebaren werden dan opnieuw gefilmd om ze in dit woordenboek te kunnen opnemen.

Vorm en inhoud

Het woordenboek bevat de Nederlandse woorden en de gebaren uit de Vlaamse Gebarentaal (VGT), onder de vorm van SignWriting en filmpjes. SignWriting is een Amerikaans transcriptiesysteem uitgedacht door Valerie Sutton en het Deaf Action Committee (DAC); het laat toe elk gebaar op een zeer visuele manier weer te geven, rekening houdende met zowel de manuele componenten (handvorm, oriëntatie, articulatieplaats en beweging), als de non-manuele (mimiek, snelheid waarmee een gebaar wordt uitgevoerd...). Er werd voor geopteerd om de gebaren — naast de film-vorm — ook in SignWriting weer te geven omdat dit systeem niet alleen uiterst geschikt is voor wetenschappelijk onderzoek maar ook voor andere doeleinden gebruikt kan worden, zoals bijvoorbeeld voor het aanleren van nieuwe gebaren in scholen of het neerschrijven van teksten in VGT. Wie SignWriting wil leren kan gebruik maken van volgend handboek: Van Herreweghe, M., SignWriting in de Vlaamse Gebarentaal, Cultuur voor Doven, Gent, 2001.

Dit elektronisch woordenboek werkt in twee richtingen. Men kan op zoek gaan naar de vertaling in VGT van een Nederlands woord en naar de Nederlandse gesproken/geschreven tegenhanger van een Vlaams gebaar. Het is bovendien ook mogelijk om bij het zoeken dialectisch te differentiëren. Men kan dus gebaren opzoeken die uit de West-Vlaamse variant komen of uit de West-Vlaamse en de Antwerpse, enz... . Naast het gebaar, rechts op het scherm, verschijnen telkens de regio's waarin het gebaar in kwestie gebruikt wordt.

Opgenomen gebaren

Het uitgangspunt bij het ontwikkelen van dit woordenboek was het zo nauwkeurig en volledig mogelijk weergeven van de huidige (basis-) gebarenschat van de VGT. De bedoeling was dus zeker niet om uit alle verzamelde gebaren voor één begrip telkens één gebaar te kiezen en voorop te stellen, maar wel om alle bestaande varianten die in Vlaanderen gebruikt worden op te nemen. Er werd dus rekening gehouden met alle lexicale en regionale varianten die tijdens de corpusverzameling werden geregistreerd.

Alhoewel het de bedoeling was om zoveel mogelijk gebaren te verzamelen en te verwerken, moet er rekening mee gehouden worden dat het onmogelijk is om àlle bestaande gebaren voor de onderzochte begrippen te registreren, gezien het relatief kleine aantal informanten (gemiddeld 6 per provincie) en het feit dat het een momentopname van de VGT betreft. Gebaren die wel gebruikt worden door bijv. u, de surfer, of door een gebarentaalgebruiker die u kent, en die toch niet zijn opgenomen in het woordenboek, zijn daarom niet slechter dan of minderwaardig aan de gebaren die wel in het woordenboek te vinden zijn. Het is nu eenmaal mogelijk dat de informanten niet alle gebruikte gebaren uit hun regio kennen of tijdens de vergadering uitgevoerd hebben. We hebben hier ook te maken met een eerste basiswoordenboek. Niettemin denken we toch te kunnen stellen dat over het algemeen de basisgebarenschat opgenomen is in dit gebarenwoordenboek. Deze elektronische versie biedt ons trouwens de mogelijkheid om nieuw opgevraagde gebaren te kunnen blijven toevoegen. De opgenomen gebarenschat zal dus blijvend worden uitgebreid en — hopelijk — steeds completer worden. Verder onderzoek is ook nog nodig om de precieze verschillen tussen de verschillende varianten bloot te leggen (dus wat betreft register, leeftijd, context, geslacht, ...).

De term Vlaamse Gebarentaal

Vroeger hanteerde men meestal de term Belgische Gebarentaal. Men was immers van oordeel dat er meer gelijkenissen waren tussen de gebarentalen die gebruikt werden in Vlaanderen en Wallonië dan tussen die die in Vlaanderen en Nederland gehanteerd werden. Bovendien gebeurden de eerste onderzoeken naar gebarentaal in België door Vlaamse en Waalse onderzoekers samen. In hun gezamenlijke publicaties hadden zij het steeds over Belgische Gebarentaal. Doven zelf spraken meestal gewoon over gebaren of gebarentaal, zonder te specificeren welke. Enkele jaren geleden werd naar een andere benaming overgeschakeld. Omdat er te weinig taalkundig bewijs was — en is — om van twee aparte gebarentalen te kunnen spreken, koos men, om de variant aan te duiden die in Vlaanderen wordt gehanteerd, voor het compromis Vlaams-Belgische Gebarentaal. Omwille van de opsplitsing van NAVEKADOS (Nationale Vereniging van Katholieke Doof-Stommen) in twee regionale verenigingen, de vermindering van de contacten tussen de Vlaamse en Waalse Doven en de verschillende processen van standaardisering, gingen de laatste jaren echter steeds meer stemmen op om de term Vlaams-Belgisch te vervangen door Vlaams. Ook op een Algemene Vergadering van Fevlado in oktober 2000 ging de voorkeur uit naar deze term. Daarom wordt deze term sindsdien in alle publicaties betreffende de Vlaamse Dovengemeenschap en haar moedertaal gebruikt.

Gebarenconstructie of gc

Elke taal heeft ‘ bevroren’ lexicale elementen; dit zijn woorden/gebaren die bestaan en door de taalgebruikers algemeen aanvaard en gebruikt worden. Elke taal heeft daarnaast ook de mogelijkheid om met reeds bestaande elementen/bouwstenen nieuwe woorden/gebaren te vormen, die nog niet tot de vaste, ‘bevroren’ woorden-/gebarenschat van de taal behoren. Zulke nieuwe constructies worden gebarenconstructies of gc genoemd. Dergelijke elementen worden in gebarentalen veel vaker gebruikt dan in gesproken talen. Vaak is één van de reeds bestaande componenten waarmee een gebarenconstructie wordt gevormd, een classifier. Een classifier is een handvorm of een combinatie van een handvorm met een oriëntatie van de hand. Deze handvorm verwijst naar een referent (een persoon, voorwerp, dier, ...). Zo bestaat er een algemeen ‘vast gebaar’ voor het werkwoord openen, maar er kunnen ook gebarenconstructies worden gevormd waarin de handvorm verwijst naar (een deel van) de vorm van wat precies geopend wordt: een deur(knop), raam, doos, blikje, ... . De gebarenconstructies die functioneren als een werkwoord noemen we werkwoordelijke constructies.

Het probleem is dat de grens tussen ('bevroren' of geconventionaliseerde) werkwoordgebaren en werkwoordelijke constructies (of meer algemeen; tussen gebaren en gebarenconstructies) niet altijd duidelijk te trekken is. Er is in feite sprake van een continuüm (een geleidelijke overgang) met aan de ene kant de 'zuivere gebaren' en aan de andere kant de 'zuivere gebarenconstructies'. Wanneer niet duidelijk was om welke van de twee het precies ging, hebben de onderzoekers moeten beslissen of ze met een gebaar dan wel met een gebarenconstructie te maken hadden. Het maken van dergelijke beslissingen heeft heel wat moeite gekost en ook heel wat discussie teweeggebracht. De gemaakte keuzes zijn het resultaat van het denkwerk van vier horende taalkundigen en twee Dove moedertaalgebaarders. Deze keuzes zijn niet eeuwig geldend. Talen blijven immers evolueren en wat vandaag een gebarenCONSTRUCTIE is, kan in de toekomst evolueren tot een vast gebaar.

Het benoemen van een gebarenconstructie als gebarenconstructie impliceert ook niet dat net die 'gc' de enige juiste of bruikbare is. Zoals reeds gezegd behoren gebarenconstructies (nog) niet tot het vaste lexicon. Er is dus geen vaste manier om deze constructies uit te voeren; gebarentaalgebruikers beschikken over erg veel vrijheid bij de productie ervan. Bovendien bestaan er voor bepaalde betekenissen veel verschillende gebarenconstructies omdat de samenstellende delen van de constructies verwijzen naar bepaalde elementen uit de werkelijkheid. Deze elementen kunnen er verschillend uitzien al naargelang de situatie of de gebaarder die de constructie produceert. We gaven al het voorbeeld van de verschillende mogelijke gebarenconstructies om het Nederlandse woord openen mee te vertalen. Een deur kan een deurknop of een klink hebben, een cadeau kan groot of klein zijn, enz. Afhankelijk van wat er geopend wordt en hoe de gebaarder iets opent, vormt hij/zij een andere gebarenconstructie. Omwille van deze veelheid aan mogelijkheden is het onmogelijk om voor een bepaalde betekenis alle mogelijke gebarenconstructies in dit woordenboek op te nemen. Voor elke betekenis word(t)(en) dan ook slechts één of enkele voorbeeldzinnetje(s) getoond ter illustratie.

Gebaren voor beroepen

In dit woordenboek staat naast het Nederlandse woord voor een beroep (zoals timmerman, kassier, ...) altijd het gebaar voor dat beroep. Soms wordt dat gebaar ook nog gevolgd of - in mindere mate - voorafgegaan door het gebaar PERSOON, zodat er een samengesteld gebaar ontstaat. In alledaagse conversaties worden deze gebaren - zowel die met als zonder PERSOON - echter zelden gebruikt en gebaart men bijna altijd iets als 'WERKEN IN BANK' i.p.v. BANKIER of 'WERKEN IN WINKEL' i.p.v. KASSIER. Dit kan natuurlijk niet bij alle beroepen (denken we bijv. aan kapper of bakker), maar het wordt toch veel gebruikt. Vermoedelijk werd bij het uitlokken van de gebaren voor beroepen het (gebaren)taalgebruik van de informanten beïnvloed door de situatie (aanwezigheid van opname-apparatuur, uitlokkings-materiaal, ...), maar dit kan niet vermeden worden. Om een onderscheid te maken tussen bijv. een agent en een agente, gaan Vlaamse gebaarders het gebaar AGENT laten vergezellen door het gebaar MAN of VROUW. Dit gebaar kan het beroep-gebaar voorafgaan, maar kan er ook op volgen. Dit gebeurt bij vele beroepen zoals dokter, verpleger, enz.

Gebaren voor dieren

In het Nederlands bestaan er specifieke termen om het mannetje, het vrouwtje en het jong van een bepaalde diersoort te benoemen; bijv.: schaap (soort): ram, ooi, lam; rund: stier, koe, kalf; paard: hengst, merrie, veulen, enz. In de Vlaamse Gebarentaal bestaan daar soms ook specifieke gebaren voor, maar ze worden zelden gebruikt. Veel vaker verwijst men naar deze dieren als volgt : SCHAAP + MAN, SCHAAP + VROUW, SCHAAP + KLEIN.

Katrien Van Mulders
Universiteit Gent
Maart 2004

Referenties

BOONEN, D., VAN HERREWEGHE, M. & VERMEERBERGEN, M., De evolutie van gebarentaal in Vlaanderen, In: VAN HERREWEGHE, M. & VERMEERBERGEN, M. (red.), in: Gent in Oktober, Cultuur voor Doven, Gent, ter perse.
DE WEERDT, K., VANHECKE, E., VAN HERREWEGHE, M. & VERMEERBERGEN, M., PBO-Project 98/20/129 De Dovengemeenschap in Vlaanderen: doorlichting, sensibilisering en standaardisering van de Vlaamse Gebarentaal. Luik 2: lexicografisch onderzoek. Eindrapport, 2002.
DE WEERDT, K., VANHECKE, E., VAN HERREWEGHE, M. & VERMEERBERGEN, M., Op (onder)zoek naar de Vlaamse Gebaren-schat, Cultuur voor Doven, Gent, 2003.
VAN HERREWEGHE, M. & VERMEERBERGEN, M., Thuishoren in een Wereld van Gebaren, Academia Press, Gent, 1998.
VAN HERREWEGHE, M., SignWriting in de Vlaamse Gebarentaal, Cultuur voor Doven, Gent, 2001.
VERMEERBERGEN, M., ROOD KOOL TIEN PERSOON IN. .Morfosyntactische aspecten van Gebarentaal, Doctoraal Proefschrift, Vrije Universiteit Brussel, 1996.